Onderzoek aan Stonehenge.
 
Het eerste werd er over Stonehenge geschreven door Geoffrey of Monmouth in 1135 in zijn Historia Regum Brittaniae (Historie van de Engelse Koningen).
In dit waardeloze maar raadselachtige werk stelt Geoffrey dat Stonehenge is gebouwd onder leiding van de Britse koning Vortigern als een monument ter nagedachtenis aan 460 omgebrachte Engelse hoofdmannen in een slag daar in de buurt, 490 voor Christus.
Het kan echter ook zo zijn dat Geoffrey Stonehenge en Amesbury Abbey of Avebury door elkaar haalde, temeer daar deze bouwwerken vlak bij elkaar liggen.
Toen Vortigern de doden bezocht, liep hij te peinzen over hoe hij de overleden mannen kon eren. Uitkomst werd geboden door de Aartsbisschop, die Merlijn aanwees als de geschikte man voor dit werk. Merlijn zou een helderziende profeet zijn met een behoorlijke technische kennis.
Later zou de verwijzing naar profetisme leiden tot de huidige astro-archeologie.
Merlijn werd naar de koning gebracht en daar droeg hij een plan voor een passend monument aan de koning voor: de 'Giants Ring' in Kildare, Ierland. Dat zou verplaatst moeten worden en precies als in Kildare opgezet, dan zou het monument voor eeuwig blijven staan.
Volgens velen is Henry of Huntington echter degene die het eerst Stonehenge in de literatuur betrekt: In zijn Historia Anglorum uit 1154 noemt hij Stonehenge als 2e wonder van Brittanië. Henry gebruikte, zoals velen in die tijd, de aannames en filosofiën van Geoffrey.
Latijnse schrijvers, zoals Giraldus Cambrensis(1146-1223), borduurden ook een beetje verder op Geoffreys versie en veranderden hier en daar wat.
Afgezien van 2 mannen die Geoffreys versie niet geloofden, is Geoffrey, min of meer getransformeerd, nog erg lang als uitgangspunt gehouden. 
Er deden ook erg veel verhalen de ronde over de ontelbaarheid van de stenen van Stonehenge. Het tellen van in cirkels geplaatste stenen schijnt erg lastig te zijn geweest. Men schreef het toe aan de duivel, of aan magie van Merlijn, die het immers ook neergezet zou hebben.
In de 2e helft van de 17e eeuw waren er eindelijk 2 mannen die er in slaagden de stenen te tellen: John Evelyn telde in 1654 95 stenen en John Ray telde op 14 juli 1662 94 stenen.
De vraag wie Stonehenge gebouwd hebben en vooral waarom ze het gebouwd hebben, heeft eeuwen lang tot discussies, ruzies, vage veronderstellingen en gericht onderzoek zonder echt opzienbarende uitkomsten geleid.
Er zijn talloze connecties gemaakt tussen deze mysterieuze groep stenen en de romeinen, druiden, phoeniciërs, denen, en zelfs aliens.
 

Afbeelding van Inigo Jones.
 
Nadat Inigo Jones in 1652 overleden was, bracht zijn schoonzoon John Webb in 1655 zijn boek "Stone-heng Restored" uit. 
Jones had de stenen vrij degelijk bestudeerd, heeft bergen notities gemaakt en hij was de eerste die de stenen opmat.
Zijn studie resulteerde in de eerste serieuze poging om achter de mysteries van Stonehenge te komen. Hij verwierp ook de ideeen van Geoffrey.
Hij merkte ook op dat het opmerkelijk was dat de Romeinen Stonehenge niet hadden neergehaald, terwijl ze wel hele heilige wouden hadden gekapt. Jones wist ook heel fijntjes op te merken dat Merlijn, als die al bestaan had, in ieder geval niks te maken had met het transport van de stenen van Afrika naar Ierland, zoals Geoffrey beschreef.
Een jaar nadat dit boek uitgekomen was, publiceerde Thomas Fuller een boek, waarin hij Merlijn helemaal wegschreef.
Fuller wist echter ook niet hoe de stenen op Salisbury plain gekomen waren.
Walter Charleton vond de tot nu toe aangenomen theorieen onzin: in 1663 schreef hij zijn boek Chorea Gigantum, waarin hij parallellen trekt tussen stonehenge en andere, bijna identieke bouwwerken in Denemarken.
Hij kwam tot de conclusie dat Stonehenge moet zijn gebouwd door Denen. Dit is nog niet eens zo'n gek idee, want nog niet lang geleden zijn er aanwijzingen gevonden dat er inderdaad toen Denen in Engeland zijn geweest.
Deze uitlatingen, samen met de bewering dat het rekenwerk dat Jones had verricht fout zou zijn, brachten John Webb er toe Charleton van antwoord te voorzien.
Dit antwoord kwam in 1665 in de vorm van zijn boek "A Vindication of Stone-Heng Restored". In dit boek bracht Webb een paar wijzigingen in Jones' boek aan en hij kraakte Charleton kompleet af.
In 1725 bracht een uitgever alle drie de heren in een band uit, samen met nog wat meer plaatjes en tekeningen. 
Ondertussen had John Aubrey Stonehenge bezocht en deze man dacht dat Stonehenge in verbinding stond met druïden. In deze stelling werd hij later gesteund door William Stukeley. Deze twee mannen hebben vrij veel onderzoek gedaan naar Stonehenge en andere monumenten in de omgeving.
Aubreys naam zal altijd aan het monument verbonden blijven, want hij heeft sporen van 56 gaten net binnen de bank ontdekt. Deze gaten zijn naar hem 'Aubrey Holes' genoemd. Aubrey dacht dat Stonehenge niet Romeins of Deens was, niks met Ierse magie te maken had, en ook niet een plaats waar geleefd of een begraafplaats. 
Hij heeft ook de steencirkels van Avebury ontdekt toen hij op 22-jarige leeftijd op vossejacht was.
Stukeley had, voordat hij bij Stonehenge was geweest, de meeste boeken over Stonehenge en Avebury gelezen. Hij volgde Aubreys meningen en nam deze over. 
Beide heren dachten dat Stonehenge te maken had met druiden, die meegekomen waren met een groep Phoenicische kolonisten. 
Stukeley bracht Stonehenge via de druiden en het oude testament in verbinding met stenen altaren... En zo met het offeren van mensen en dieren!!!
Stukeleys interpretaties van Stonehenge en Avebury hebben veel invloed gehad op de fabels en legenden die de ronde deden.
In 1829 kwam er een boek uit van ene Godfrey Higgins, genaamd "The Celtic Druids". Hierin haalt hij notities aan van mr. Waltire, een natuurfilosoof/astronoom. Deze stelde dat Stonehenge voor meerdere doeleinden was gebouwd: Het zou zo gebouwd zijn, dat als iemand voor de Altar Stone zou staan, hij door iedereen in het monument gehoord zou worden. Ook zouden er astronomische observaties worden verricht. De grafheuvels zouden dan de plaats van bepaalde sterrenstelsels aanwijzen. 
Waltire maakt ons er ook op attent dat sommige oude construkties in het Britse landschap kennelijk zijn bedoeld om vanuit de lucht te worden gezien, maar gemaakt zijn eeuwen voordat de eerste ballon het luchtruim koos.
Dr. Higgins schrijft op blz. 158 van zijn werk dat Stonehenge volgens hem 4000 jaar v. Chr. gebouwd zou zijn. Hiermee zat hij dichter bij de werkelijkheid dan zijn tijdsgenoten, die dachten dat Stonehenge pas na Christus gemaakt zou zijn.
 
 

Afbeelding van Heel Stone.
 
In 1846 verscheen het boek "The Druidical Temples of the Country of Wilts" van mr. E. Duke. Deze man had wat spannende ideeen. Hij dacht dat de Wiltshire Downs, waar Silbury Hill in lag, een groot planetarium was.
Dit soort gedachten lagen ten grondslag aan de astro-archeologie. 
Er kwamen de wildste ideeen los, waarvan een groot deel bijna gelijk weer verworpen werd. Zo werd verondersteld dat Stonehenge een sterrenwacht zou zijn, of een zonneobservatorium. Dit zijn erg aannemelijke ideeen.
Verder heeft Professor Richard Atkinson veel graafwerk gedaan in Stonehenge en hij heeft ook veel nieuwe dingen daar ontdekt. Hierover schrijft hij in zijn boek "Stonehenge", dat in 1956 uitkwam en een klassieker is geworden voor archeologen.
Als we het dan over een preciesieobservatorium voor zonne- en maanscycli hebben, praten we over Stonehenge zoals in fase I. De latere fasen klopten ook nog wel met de metingen, maar waren bij lange na niet precies genoeg.
Berekeningen hebben uitgewezen dat de zon ±2000 jaar v. Chr. met de zomerzonnewende over de Heel Stone op zou gaan, als er aan de horizon bomen van 10 meter hadden gestaan. (Atkinson, 1978)
Nu is de Heel Stone een erg slechte indicator voor deze gebeurtenis, omdat hij veel te dicht bij staat voor een precieze meting. De laan, waar de Heel Stone midden op staat, loopt echter wel ver genoeg in precies de goede richting om de zomerzonnewende aan te geven. Het is dan ook bijna zeker dat deze laan een indicator hiervoor is geweest.
De Heel Stone wordt ook gezien als een mogelijke indicator voor de maansopkomst in bepaalde periodes.
 

Afbeelding van de Station Stones Lijnen.
 
De lijnen tussen de Station Stones 91-92 en 93-94 blijken parallel te lopen aan de as van de laan en daarmee aan de as van de zomerzonnewende met het midden van Stonehenge. Verder hebben de Station Stones ook nog een andere functie: vanuit het midden van de cirkel gezien geeft steen 93 de zonsondergang op 6 mei en 8 augustus aan, steen 91 doet hetzelfde voor 5 februari en 8 november, de zomerzonnewende wordt zoals gezegd aangegeven door de Heel Stone en de laan en als je de as van de laan door zou trekken naar het zuiden krijg je daar de plek van de midwinterzonsondergang.
Dit geeft een ruwe onderverdeling van het jaar in 8 maanden, elk van ongeveer 45 dagen.
Alleen de dagen die precies tussen de zonnewendes in vielen zijn hier nog niet mee aangegeven, maar dit werd opgelost door mr. C.A. Newham, die de indicator hiervoor vond in de lijn tussen steen 94 en een van de gaten in de Laan. 
In 1963 kwam men op het idee dat Stonehenge wel eens een maansobservatorium zou kunnen zijn. De bewegingen van de maan zijn veel complexer dan die van de zon en daarom is het ook wat moeilijker om hier wat voor te maken.
De maan volgt namelijk een ritme dat zich eens in de 18,61 jaar herhaalt.
Toen dr. Gerald Hawkins de lijnen tussen alle stenen van Stonehenge onderling invoerde in een computer en de rekencapaciteiten van de machine er op los liet, vond hij sterke bewijzen dat Stonehenge belangrijke punten in de maanscycli aangaf. De resultaten publiceerde hij in een wetenschappelijk tijdschrift (Hawkins, 1963).
 

Afbeelding van de Maanscyclus.
 
Gedurende de 18,61 jaar van een maanscyclus verschilt de hoek waarover de maan opkomt en ondergaat tussen de 50 en de 30 graden aan weerszijden van zowel het oosten als het westen(zie tekening).
 Eerder genoemde Newham ontdekte dat de Station Stones de extreme maansopkomsten en -ondergangen markeerden.
Het kwam als een complete verrassing dat hij ook nog eens ontdekte dat de opening in de wal en greppel eigenlijk niet samen met de laan de zonsopkomst op de zomerzonnewende markeerde, maar de plek waar de maan opkomt op het meest noordelijke punt. Dit is iets verder noordelijk dan de zonsopkomst. 
Verder zijn in de opening gaten gevonden die palen hebben bevat. Deze palen zijn vermoedelijk elke midwinternacht opgezet om de opkomst van de volle maan te markeren. Hierdoor werd het vermoeden sterker dat Stonehenge I een maansobservatorium was.
Verder hebben er aan de linkerkant van de Heel Stone houten palen gestaan die precies samenvielen met kleine gaten in de dekstenen van de Sarsen Cirkel uit Stonehenge III. (Brinckerhoff, 1976)
De afwijking die de lijnen tussen de gaten vertoonden met de meest noordelijke maansopkomst, is 0,2 graden, precies de afwijking die de aarde in haar wenteling om haar as zou hebben gekregen in de jaren tussen toen en nu. 
Professor Thom heeft samen met zijn familie onderzoek gedaan naar markeringen aan de horizon, die belangrijke momenten in de maanscyclus aan zouden kunnen geven. Ze dachten daarvoor aan heuvels die de basis zouden kunnen zijn geweest voor grote houten palen.
Maar Newham's vinding met de volmaakte rechthoek van de station stones en de parallellen ertussen lijkt belangrijker. Als Stonehenge 80 kilometer naar het noorden of zuiden zou hebben gelegen, zou de afwijking in de rechthoek al 2°bedragen en dus een parallellogram vormen (Hoyle 1977, blz. 36).
Als Stonehenge I een maansobservatorium zou zijn geweest, zou het waarschijnlijk zijn geweest dat het tegelijk met andere observatoria in Engeland opgezet is en dat het vanwege de bijzondere plaats verder is ontwikkeld. 
Stonehenge II en III lijken van minder astronomisch belang te zijn, met uitzonderingen van de midzomerzonsopkomst bepaling en misschien gaten in de dekstenen.
De ontdekking van Hawkins dat kijklijnen tussen de bogen van de trilithons en de gaten tussen de sarsen stenen belangrijke zonne- en maansopkomst- en ondergangspunten aangeven is leuk, maar niet nauwkeurig genoeg. Iemand anders zei over Stonehenge III dat het een geweldig, maar niet functioneel monument van Stonehenge I en mogelijk ook II is. (Gingerich 1957)
Vandaag de dag is het niet zozeer de vraag meer of Stonehenge een observatorium was, maar meer of het niet ook een computer voor het voorspellen van zonne- en maaneclipsen. Gerald Hawkins heeft in 1964 een artikel in NATURE gepubliceerd, waarin hij een rekenmodel presenteerde.
Dit model was echter veel te simpel: veel van de voorspelde eclipsen waren helemaal niet te zien vanuit Stonehenge en zijn dus niet interessant. Hawkins systeem voorspelde slechts een fractie van alle eclipsen. 
Prof. Thom heeft bewijzen dat Schotse astronomen markeringen aan de horizon gebruikten om kleine veranderingen in de bewegingen van de maan waar te nemen. Als deze markeringen ook bij Stonehenge aanwezig zijn geweest, zou het best mogelijk zijn geweest dat deze methode voor het eerst perfect heeft gewerkt bij Stonehenge en later is geëxporteerd naar andere plaatsen.
De Aubrey holes zijn ook in verschillende functies terug te vinden in de gissingen. 
Tot zover is men ondertussen gekomen met onderzoek naar Stonehenge. De vraag is of men nog meer zal ontdekken, en ik denk dat dit zonder twijfel zal gebeuren.

 

 



Copyright © 2007-2011 Spirituele Praktijk "De Druïde". All Rights Reserved.